Geschiedenis Martinikerk

Home Gebouwen Martinikerk Geschiedenis Martinikerk

De Martinikerk staat in Franeker vanaf de 2e helft van de 14e eeuw.

Gedurende een kleine 700 jaar is deze kerk gebruikt als

– plaats van sacramentele handelingen,

– plaats voor de samenkomst van de christelijke gemeenschap

– begraafplaats,

– vergaderplaats van magistratuur,

– overdekte plaats waar markt gehouden kan worden,

– wijkplaats in tijden van oorlog en bij hoog water

– aula van de universiteit

– statussymbool van de stad

– concertruimte rondom het (stads)orgel).

– wandelruimte

In de 700 jaar van het bestaan heeft het kerkgebouw heel veel verschillende zowel kerkelijke als burgerlijke functies gehad. En veel verschillende visies gekend ten opzichte van de organisatie van kerk en geloof, de verhouding kerk en staat, de inhoud van het christelijk geloof en op de vormgeving van de christelijke vieringen.

Gebruik van de Martinikerk nu

Toren is eigendom van de stad Franeker.

– Luidklokken zijn eigendom van de stad Franeker

– Gebouw is eigendom van de Protestantse Gemeente Franeker

– Orgel is eigendom van de Protestantse Gemeente Franeker

– Inventaris, banken, stoelen, zilvergerei en bijbels (alles wat in het gebouw staat) zijn van de Protestantse Gemeente te Franeker.

Bestuur van de Protestantse Gemeente Franeker berust nu bij de kerkenraad. Tot ongeveer 1800 was de kerkenraad niet zelfstandig maar stond onder toezicht van Magistratuur van de stad (burgemeesters en wethouders).

De Magistraten bepaalden wat er in de kerk gebeurde, welke predikanten er benoemd werden, en wat deze al dan niet verkondigden.

De zorg voor de Martinikerk, interieur en exterieur berust nu bij de kerkenraad/kerkrentmeesters van de protestantse Gemeente Franeker.

De kerkrentmeesters zijn leden van de Protestantse Gemeente.

Tot 1952 waren de kerkvoogdijen zelfstandige eigenaren/beheerders van de kerkgebouwen. Tot ongeveer 1850 hoefden de kerkvoogden geen binding te hebben met de toenmalige Hervormde Gemeente. Kerkvoogden werden gekozen en benoemd door de magistratuur niet vanwege kerkelijke betrokkenheid maar gekozen uit de groep notabelen van de stad. Het was vroeger niet ongebruikelijk dat buitenkerkelijken, of anders gelovigen (Doopsgezinden, Rooms Katholieken of Lutheranen) benoemd werden tot kerkvoogd van de Martinikerk.

Kerkelijk gebruik nu

Kerkdiensten, waarin de gemeente bij elkaar komt, voor een viering waarin wordt uit de bijbel gelezen, gebeden en gezongen (met orgelbegeleiding), een predikant een preek houdt, waarin soms wordt gedoopt en de maaltijd met brood en wijn bediend. Daarnaast zijn er diensten waarin huwelijken worden bevestigd en ingezegend en diensten waarin men afscheid neemt van een overledene.

Niet kerkelijk gebruik nu

Concerten, enkele keren per jaar, gebruik makend van het grote van Dam Orgel. Openstelling en rondleidingen gedurende zomermaanden

Tentoonstellingen

Als aula voor de universiteit bij uitspreken van dissertatie.

Ook is de kerk gebruikt als plaats voor een (kerkelijke) rommelmarkt of kerstmarkt.

Gebruik in vroegere eeuwen.

Toen de Martinikerk gebouwd werd zag niet alleen de stad Franeker er anders uit, maar ook de wereld van stadsbestuur, kerkbestuur, theologie en geloof.

De Martinikerk is gebouwd als kerk voor en door de stad Franeker dit in tegenstelling tot de vroegere Academiekerk of Gasthuiskerk in de Vijverstraat. Deze kerk was gebouwd voor en door monniken die toen een groot klooster hadden aan de Academiestraat.

De wereld van stad en kerk werd bepaald door stadsbestuur en kloosterorde.

Uit de competentiestrijd tussen die beiden is het stadsbestuur de winnaar geworden en moest het klooster het onderspit delven.

Leegloop van de kloosters vond eind 15e en begin 16e eeuw plaats.

De christelijke kerk uit de middeleeuwen was een kerk die nogal verschilde van de kerken zoals wij die nu kennen. De organisatie was onduidelijk. Vaak bepaald per streek stad of dorp. Als naam van de kerk wordt gebruikt “katholiek” in de betekenis van “algemeen”. In deze middeleeuwse kerk kende men heel veel verschillende richtingen, ideeën, bestuursvormen, inrichtingen van gebouwen, uitingen van geloof.

De kerk bestond niet. Elk dorp, elke stad, elke streek en elk land had zo z’n eigen variant van het katholieke of algemene geloof. In grote trekken: Romeins, Gallisch (noord en zuid), Germaans (noord, zuid en oost), Fries, Brits, Schots en Iers. Eenheidskerken zijn pas ontstaan in later tijd. (Renaissance, Reformatie en Contrareformatie).

Voor ons van belang is de Friese kerk. Een uiterst eenvoudige vormgeving en uitwerking van het christelijke geloof. Kerkgebouwen niet of nauwelijks versierd. Geen duidelijke hiërarchie onder de geestelijken. Per dorp, stad of grietenij was men zelfstandig. Pausen en bisschoppen waren voor zover zij erkend werden heel erg ver weg. In de Friese gebieden was een duidelijke bijbelse oriëntatie.

Slechts de rijke steden, de rijke kloosters, en sommige rijke dorpen beschikten over delen van de bijbelse boeken. In de kerkelijke diensten kende men meestal geen “hoge liturgieën”. Eenvoud als kenmerk. De geestelijken heetten toen Curijten: (of afgeleid van “curare”- zorg dragen voor, of afgeleid van “Kurios”- Heer) De Curijten hadden geen of nauwelijks opleiding, waren altijd gehuwd, deden hun kerkelijk werk naast hun hoofdberoep.

Kerk in drieën

De Martinikerk is als zoveel kerken in Friesland, Noord Duitsland en Polen gebouwd in een drieslag. (3 kerken onder één dak).

Doopkerk of Baptisterium (aan de westkant) Middenkerk voor algemeen gebruik (middengedeelte) en de Sacramentskerk (het koor aan de oostkant).

Het getal 3 staat voor de goddelijkheid.

Geestelijkheid: Curijten

In de kerk werkte een vrij uitgebreide geestelijkheid. Deze werden in Curijten genoemd. Zorgdragers of hulpverleners. Zij waren in dienst van de magistratuur van de stad. Hun taken bestonden uit het uitdelen van Sacramenten, het bidden met en het zegenen van de mensen, geven van godsdienstonderricht en het houden van preken. Alle Curijten hadden zo hun eigen specialisme. Het werk van een Curijt werd gezien als ambachtelijk werk. Zij werden betaald per geleverde dienst. Gebed, zegening e.d. De meeste van hen hadden om hun gezin te kunnen onderhouden er een andere baan erbij. Een ongehuwde Curijt was een uitzondering. De theologie van het celibaat moest nog komen (officieel pas in 1580)

Een Curijt was heel slecht opgeleid. De meesten konden niet lezen of schrijven. Zij moesten gebeden en sommige bijbelteksten en misgedeelten uit het hoofd kunnen opzeggen. Zegeningen kunnen verrichten en duivelse geesten verdrijven.

In de kloosterkerken waren de paters en de fraters beter opgeleid. Soms ook waren Curijten in kloosters opgeleid waarna zij in dienst kwamen bij de stads of dorpskerken.

Curijten waren geen priesters in rooms-katholieke zin. De theologie rond het gewijde priesterschap moest nog ontwikkeld worden.

Curijten waren ook geen predikanten in protestantse zin. Ook de theologie rond bijbel als woord van verkondiging moest nog ontwikkeld worden. De boekdrukkunst moest nog uitgevonden worden

Theologisch kende men de meest uiteenlopende stromingen. Sommige Curijten gaven hele goede bijbelse preken. De meesten bepaalden zich alleen tot ceremoniën. Men kende verschillende visies op bijbel, en op de sacramenten.

Met name hier in Friesland was het kerkelijk gebeuren laagdrempelig. Ook heel individualistisch. Men ging naar de kerk als men daar zin in had. In de kerken vond men waar men behoefte aan had. De kerkgebouwen waren niet of nauwelijks versierd. Uiterste eenvoud. Haast nergens pracht en praal. Iedere Curijt leefde op zijn eigen terp en van hogere geestelijkheid, (pausen en bisschoppen), voor zover zij die erkenden, trok men zich hier niets aan. Ze stonden in dienst van de stad. De dorpscurijten stonden in dienst van de grietman

Gebruik van de kerk. Van de kerk werd het middengedeelte druk gebruikt. In de middenkerk stond de preekstoel. Als er gepreekt werd stonden de mensen die dit wilden aanhoren er omheen (vrouwen mochten zitten) Dit middengedeelte werd profaan gebruik voor van alles en nog wat. Er werden vergaderingen in gehouden, er werd soms markt in gehouden. Omdat Franeker een rijke stad was werd er ook een orgel geplaatst voor concerten. Voor kerkelijke muziek gebruikte men geen orgel!

In de Middenkerk werd begraven. Kinderen speelden er en ook honden waren aanwezig (men kende toen hondenslagers die erop moesten toezien dat honden buiten de Doop- of Sacramentskerk zouden blijven.

De hele kerk (behalve het koor) was ook een toevluchtsoord bij hoog water. Mensen en vee waren veilig bij overstromingen maar ook in tijden van oorlog.

In de Doopkerk, meteen bij de zuidingang van de kerk, links werden mensen gedoopt. Kinderen, maar ook volwassenen. In dit gedeelte van de kerk werd door Curijten de biecht aangehoord. Als er confirmaties plaatsvonden, was dat plaats in de doopkerk. Als mensen de zegen wensten te ontvangen gebeurde dat in de doopkerk. De eerste 3 sacramenten in de doopkerk

In de Sacramentskerk werd op gezette tijden (niet elke dag) het avondmaal bediend door die Curijten die hiertoe gemachtigd waren. Eén keer per jaar werd van een christen verwacht dat hij ter communie ging. Vaker mocht ook, maar dat was geen gewoonte. Wijding van priesters, zegeningen van huwelijk en de drie sacramenten gebeurden in de sacramentskerk. Het laatste sacrament (stervenden) werd meestal thuis bediend, anders in de Middenkerk.

Men kende in de middeleeuwen niet zozeer een kerkelijke gemeenschap, die op gezette tijden bij elkaar kwam om een kerkdienst bij te wonen. Mensen waren geen lid van een kerkelijke gemeenschap. Men was burger van de stad, of bewoner van een dorp of ingezetene van een streek. De magistraat van de stad zorgde voor onderhoud van gebouwen en had Curijten in dienst.

Gebouw en symboliek

Ingangen waren vanouds aan de noordzijde (vrouwenkant) en aan de zuidzijde (mannenkant). Hele theorieën zijn bedacht om een verklaring te geven aan dit onderscheid. Heel speculatief: gedacht wordt dan aan noordkant = koudekant = kant van zonde en dood. Dankzij de appel van Eva is de zijn zonde en dood in de wereld gekomen. Daarom noordkant vrouwenkant. De zuidkant is dan de warme kant, de kant van het leven. Daarom zou de zuidkant de mannenkant zijn. Leuk middeleeuws bedacht .

Een betere theorie is dat vroeger aan de noordzijde van het hoofdaltaar een afbeelding was van Maria en aan de zuidkant een van Johannes. Een heel gewone theorie: omdat de preekstoel vroeger vrijwel altijd aan de noordzijde van een kerk hing, en slechts de vrouwen zitplaatsen hadden die direct om de preekstoel stonden, was de noordkant van een kerk daardoor een vrouwenkant.

In de bouw is de nodige symboliek verwerkt. Rond het koor 12 pilaren. Deze verwijzen naar de 12 apostelen èn naar de 12 artikelen van het christelijk geloof (de artikelen zouden geschreven zijn door de apostelen). In veel kerken waren op deze pilaren ook de betreffende heiligen en het betreffende artikel afgebeeld.

De Middenkerk (het middengedeelte) heeft 8 pilaren. Deze verwijzen naar de 8 dagen van de week (van zondag tot zondag). Andere uitleg is dat ze verwijzen naar de 8 zaligsprekingen.

De Doopkerk, (het westelijke gedeelte) heeft 6 + 4 pilaren. Deze zouden kunnen verwijzen naar 10 geboden, de wet van God.

In totaal kent Martinikerk 30 pilaren. Kan verwijzen naar de 30 jarige leeftijd van Jezus toen hij optrad in Israël.

In de vroege middeleeuwen, toen de kerken (romaans, romantisch) schemerdonker waren van binnen waren vrijwel al de muren en pilaren beschilderd. Toen in de late middeleeuwen de kerken (tijd van de gotiek) helder en licht van binnen moesten zijn, zijn de meest muurschilderingen of verwijderd, of met de witkwast weggewerkt.

Op sommige pilaren van de Martinikerk zijn fresco’s teruggevonden. In deze fresco’s was veel symboliek verwerkt. Bij de ingangen mannenzijde (de ingangen aan de vrouwenzijde zullen doorgaans gesloten zijn geweest vanwege tocht en koude)

St.Martinus als Frankische patroonheilige van de kerk, en St.Clothilde als de belangrijkste heilige van de Frankische kerk. (Franeker behoorde tot het Frankische rijk en dat moest iedereen weten)

Kerk als begraafplaats.

In navolging van de joden kende men in de christelijke kerk geen lijkverbranding.

Er werd begraven op begraafplaatsen dicht bij het dorp of de stad. In Friesland koos men uit praktische overwegingen om te begraven in de terp. Droog. Dus ook dicht bij de kerk. De terp werd een kerkhof.

Tot aan het jaar 1000 was het uitgesloten dat men in kerken de doden begroef. Een kerk stond in het teken van leven en niet in dat van de dood. De sacramenten waren ook symbolen van het leven. (In de orthodoxe kerken in Oost Europa is dit nog steeds zo!)

Rondom het jaar 1000 heeft zich een gigantische verandering voltrokken in het kerkelijke en theologische denken in de westerse kerken.

Avondmaal-Eucharistie werd niet meer bezien als een maaltijd van leven maar als een herdenking of herhaling van de dood van Christus. Theologisch bezien komt de dood van Christus en niet meer zijn verrijzenis centraal te staan.

Deze verandering in theologisch denken heeft heel vergaande gevolgen voor vrijwel alle kerken en kerkjes waar dan binnen het katholieke (westerse) christendom.

Er komt een doodscultuur in de kerk. Altaren worden niet meer bezien als tafels, maar als grafmonumenten. In elk altaar een reliek van een overleden heilige. Elk altaar is als het ware een graf. Wat vóór 1000 onmogelijk was werd nu regel.

Begraven in de kerk. Vooreerst in de Middenkerk later ook in de beide andere kerken. Sterker nog na verloop van enkele eeuwen wilde men juist in doop- of sacramentskerk begraven worden vanwege staat of stand of als men anders heel rijk was. Men kende vroeger een systeem in het bepalen van wie waar mocht liggen.

Curijten-predikanten, in de middenkerk rondom de preekstoel, Organisten ergens onder het orgel, doop-curijten in de doopkerk, en sacraments-curijten rond het altaar. Rijke mensen konden overal begraven worden liefst op opzichtige plaatsen. Klokkenluiders in de toren, kosters bij de ingangen, etc. Maar onderwijzers werden begraven in het middenpad. Deze indeling is nog heel lang gebleven. Eigenlijk tot aan 1826 aan toe.

Begrafenissen vonden plaats op alle dagen van de week. Ook vaak ’s avonds. Er werd niet diep begraven soms werd gebruik gemaakt van open kelders met houten deksel. Gevolg een enorme stank in vrijwel elke kerk. Rijke-stinkerts.

Omdat het begraafbedrijf een ander bedrijf was dan dat van de predikanten kwam het geregeld voor dat terwijl een predikant zijn dienst hield een doodgraver ook zijn werk deed. Talloos zijn de klachten van predikanten en kerkenraden dat de diensten verstoord werden door begrafenissen.

Renaissance en reformatie

In de 14e en 15e eeuw vinden grote veranderingen plaats in het denken van mensen,

In de regeringen van steden en landen, maar ook in de organisaties van de algemene kerk. De verschillende stromingen die vroeger altijd naast elkaar leefden eisen alleenrecht. Er komen nationale kerkelijke verbanden.Vanuit de veelheid van richtingen binnen het westerse christendom ontstaan enkele hoofdstromingen:

Dopers. Nadruk op eenvoud, in principe geen geestelijken, leken als voorgangers, sacramenten als mooie symbolen, Avondmaal als herinneringsmaaltijd. Bijbelse geschriften centraal, dogma’s niet zo belangrijk. Persoonlijke geloofsbeleving. Geen enkele binding aan overheid. (Een doopsgezinde was niet zozeer burger van de stad Franeker, maar een inwoner van de godsstad Jeruzalem). Nadruk op de gesloten gemeenschap van gelovige mensen.

Protestanten, een streekgebonden organisatie die door de overheid bepaald werd, (De Friese Gereformeerde Kerk stond geheel los van de Hollandse Kerk of die van de Ommelanden) Eenvoud, leken als bestuurders (ouderlingen en diakenen), bijbel centraal. Geestelijken als uitleggers van de bijbel, geen rangorde onder de predikanten. De christelijke belijdenis, de dogma’s, heel belangrijk want daardoor weet men zich verbonden met alle andere kerken. In de diensten geen “hoge liturgieën”. Sacramenten als symbolen. In Doop en Avondmaal is Xp symbolisch aanwezig. Nadruk op de verkondiging van het woord. Preekstoel centraal.

Roomse katholieken, Een duidelijk op de Romeinse traditie gerichte stroming. Deze was in de middeleeuwen in Friesland niet zo sterk. In Organisatie vanuit het centrum-Rome bestuurd. Geestelijken als leiders van de kerk. Een geestelijke is een priester die door zijn wijding en levenswijze (ongehuwd) anders is. De priesters in een duidelijke hiërarchische lijn. Paus, Aartsbisschop, Bisschop, Pastoor, Kapelaan. Niet alleen de bijbel en de belijdenis centraal, maar ook de traditie. Sacramenten niet als symbolen maar als absolute werkelijkheden. In brood en wijn bij het Avondmaal is Xp. lichamelijk aanwezig. (later wordt dit: brood en wijn veranderen in echt vlees en bloed Xpi.) Kerkgebouwen worden daarom gezien als een open poort naar de hemel (porta coeli) Stukje hemel op aarde. Diensten met uitgewerkte hoge liturgieën.

Nadruk op het gewijde priesterschap dat het goddelijke uitdeelt. Het altaar centraal

1580. De staten van Friesland verklaren zich los van Spanje. Zij verklaren daarbij dat de Friese kerk onafhankelijk is van wie of wat dan ook.

De gereformeerde kerkenorde werd ingevoerd. Al de kerkelijke gemeenten van Friesland samen vormden, via trapsgewijsde afvaardigingen, de Friese Synode.

In 1580 is er in de praktijk van het kerkelijke gebeuren niets veranderd. De kerkgebouwen bleven zoals ze waren en werden op dezelfde wijze gebruikt. De Curijt die in 1579 preekte, preekte na 1580 ook.

Wel bepaalde de Friese Synode dat “alle Curijten, die niet getrouwd waren zo spoedig mogelijk hun concubine moesten huwen”. Het predikantschap mocht geen bijbaan of erebaan meer wezen. Predikanten moesten zich scholen in bijbelse kennis. Gaandeweg heeft de protestantse kerk zich ontwikkeld tot de protestantse kerk die het nu is. In de Martinikerk is deze geleidelijke verandering goed te volgen.

Aanvankelijk bleef de driedeling van het gebouw. In de middenkerk kwamen de mensen bij elkaar om de preek te horen. In deze middenkerk stond ook het orgel dat overigens niet gebruikt werd voor kerkelijke vieringen. Orgelmuziek was voor wereldlijke concerten. Als er gezongen werd, gebeurde dat a capella. In deze middenkerk werd niet alleen gepreekt, maar ook gewandeld, door kinderen gespeeld, markt gehouden, en mensen begraven. De kerkelijke gemeente mocht gebruik maken van deze publieke ruimte.

De preekstoel hing aan een pilaar aan de noordzijde. Daaromheen een hekwerk.

In “it stek” (in het Nederlands heet dit de dooptuin), waren zitplaatsen voor ambtsdragers. Ergens in de buurt van de dooptuin stond de bank van de heren magistraten van Franeker. Vrouwen zaten op losse stoelen rondom de preekstoel.

Mannen stonden in een wijdere kring daaromheen.

In latere tijd lieten rijke mensen eigen erezetels maken van waaruit ze zittend de predikant konden zien. (Deze banken bleven eigendom van de rijke families!!!)

Rond 1590/1600 wordt een psalmberijming (Datheen) ingevoerd. Deze wordt uiteraard zonder begeleiding gezongen. Ook wordt de nieuw Bijbelvertaling (Deux Aes) ingevoerd. Vanaf deze tijd is het Nederlands de gangbare taal in de kerk geworden.

Als gevolg van een theologische verschuiving wordt de doop direct verbonden met de woordbediening. Er komt een nieuw doopvont verbonden aan de preekstoel.

De doopkerk komt buiten gebruik. In Tzum, Sexbierum en Oosterbierum worden het rommelruimten. In de Martinikerk werd de ruimte bij de kerk getrokken.

Weer als gevolg van een theologisch bezinning wordt avondmaal verbonden met de woordbedieningen moet dan aan lange tafels in het midden van de gemeente gevierd worden. Gevolg de Sacramentskerk raakt overbodig.

Bij de restauratie van 1870 wort ook deze ruimte bij de kerk getrokken.

Het kerkelijk gebeuren was een publiek gebeuren. Al de inwoners van de stad behoorden tot de Martinikerk. Dus ook de dopersen en ook de roomsen. De kerk was van iedereen. Roomsen en dopersen werden ook gewoon in de Martinikerk begraven. Het was een publiek gebouw. De hervormde gemeente de hierin bij elkaar kwam bestond ook “uit iedereen “, als toehoorder, maar om lidmaat te kunnen worden moest men “aangenomen” zijn, toegetreden zijn of geloofsbelijdenis hebben afgelegd. Dit gebeurde meestal op 14 jarige leeftijd.

Het avondmaal werd gevierd alleen door lidmaten van de gemeente die in de week voorafgaande aan de viering hiertoe persoonlijk waren uitgenodigd.

De doop wed bediend aan elk kind dat “binnen het doophek” werd gebracht.

De kerk hield ook de geboorteadministratie bij voor de burgerlijke stand

Voordat een volwassene gedoopt werd moest deze eerst aangenomen zijn of belijdenis hebben gedaan.

Huwelijken werden in de kerk gesloten. Niet alleen van hervormden. Roomsen en dopersen kenden na de verplichte huwelijkssluiting in de Martinikerk een eigen inzegening in eigen kerk.

In Franeker is het kerkbezoek in de Martinikerk nooit zo groot geweest. Het merendeel van de bewoners van de stad behoorden tot één van de vele doperse gemeenten. (Er waren tegelijkertijd 4 bloeiende doopsgezinde gemeenten).

Een kleine minderheid in Franeker was katholiek

In de 17e en 18e eeuw bezochten de mensen niet zo vaak de kerk. Het was steeds een kleine groep die de preken van de predikanten kwam beluisteren.

In de Martinikerk preekten ook de theologische professoren van de universiteit van Franeker. Dit waren vaak heel beroemde predikheren. Zij trokken volle kerken, van mensen zowel van binnen als buiten de stad.

De Martinikerk werd ook gebruikt als aula voor het uitspreken van een dissertatie van de universiteit. Heel veel doctoren in theologie, letteren, filosofie, medicijnen etc. hebben in de Martinikerk hun bul verkregen.

Orgel

Nadat rond 1590 de psalmen werden gezongen, is men gaan ruziemaken over de vraag of dit zingen begeleid mocht worden door het toen al aanwezige orgel. Over deze vraag heeft men jaren gevochten (in Maassluis zelfs letterlijk). Uiteindelijk is het orgel geaccepteerd, en werden de psalmen begeleid door het orgel.

Het zingen van liederen nam in de Friese kerken geen belangrijke plaats in. Per dienst werden slechts drie coupletten in totaal gezongen.

Tot aan 1842 kende de Martinikerk slechts een klein orgel. In de 19e eeuw als alles in de kerk anders wordt krijgt het orgel ook een belangrijke plaats.

De Martinikerk in de 19e eeuw.

De 19e eeuw is de eeuw van de grote veranderingen

Na de chaos van de Franse tijd en de Napoleontische oorlogen wordt Nederland weer opgebouwd. Alles verandert in Nederland. Het kerkelijke leven verandert totaal.

Koning Willem I, gebruikt alles wat kerkelijk en gelovig is in de opbouw van het land.

Hij wil drie kerkgenootschappen 1. De Nederlandse Hervormde kerk. De koning zelf wordt het hoofd van de kerk. De synoden worden afgeschaft. Een Hervormd Ministerie van Godsdienstzaken bestuurt de kerk. Alle protestantse groeperingen dopers, luthers en remonstrant dienden zich hierin te voegen. Dit plan is gedeeltelijk gelukt en gedeeltelijk mislukt.

Als 2e kerk wordt de Nederlandse Katholieke kerk (wat daar nu nog van over is heet nu de Oud Kath. Kerk, telt in heel ned. 25 gemeenten). Groot verzet van Rooms Katholieken hebben dit plan doen mislukken.

Als 3e kerk het Nederlands Israëlitisch kerkgenootschap.

Alle “bedienaren ener godsdienst” werden bezien als volksopvoeders in de ruimste zin van het woord. Waarden en normen moesten verkondigd worden.

Predikanten, rabbijnen, rechters, en advocaten, krijgen allemaal dezelfde toga te dragen.

In de Hervormde kerk worden veel goede en minder goede veranderingen in korte tijd doorgevoerd.

1. Het kerkgebouw niet meer in eigendom van de stad. Maar in eigendom van een speciaal hiertoe op te richten “Kerkvoogdij”. De kerkvoogden werden gekozen uit de gegoede burgerij. (hoefden niet hervormd te zijn).

2 .De torens en de luidklokken bleven eigendom van de stad of van de grietenij.

3. Het orgel kon eigendom blijven van de stad, maar mocht ook in eigendom komen van de kerkvoogdij.

4 Predikanten kwamen in dienst van de overheid, kregen een rijkstraktement, dat plaatselijk mocht worden aangevuld door de kerkvoogdijen.

5.Om meer eenheid in de algemene hervormde kerk te krijgen (alle richtingen zouden hierin opgaan!) werden de gereformeerde belijdenisgeschriften afgeschaft.

6.Een nieuwe psalmberijming werd overal verplicht ingevoerd.

7 Een gezangen boek werd ingevoerd. Dat kenden de hervormden niet. Op last van de koning moest er in iedere dienst één gezang gezongen worden.

8.Orgelbegeleiding van de psalmen en gezangen werd verplicht gesteld. (Daarom zijn er in korte tijd zoveel orgels gebouwd. De Fa.van Dam voer er wel bij.)

9. Iedereen moest tot een kerkgenootschap behoren. Elke Nederlander was moreel verplicht om ter kerke te gaan. Vaak ook niet alleen moreel verplicht.

10 Voor een baan bij de overheid, van minister tot putjesschepper moest men lidmaat zijn van een erkende kerk.

De plannen van de koning hebben hun uitwerking niet gemist.

Het is niet gelukt al de protestantse kerken onder één dak en onder zijn eigen hoofdbestuur te krijgen.

De hervormde kerk is een strijdtoneel geworden van mensen die protesteerden tegen al deze veranderingen.

In 1834 scheidt zich een grote groep mensen af. En richten de oude gereformeerde kerk weer op. In Franeker kopen de afgescheidenen de toen leegstaande Rooms Katholieke schuilkerk aan de Zilverstraat op. Die gebruiken ze tot 1893

In 1884 scheidt de tweede grote groep zich af. Ook zij richten de oude gereformeerde kerk opnieuw op. In Franeker bouwen zij een kerk aan de Schilkampen. Later verenigen zij zich met de eerste groep afgescheidenen en samen met hen bouwen zij op de plaats van de oude Rooms Katholieke schuilkerk aan de Zilverstraat een nieuwe gereformeerde kerk. Tot op heden in gebruik

In 1910 scheidde zich een derde groep in Franeker niet echt af, maar ging toch een eigen weg in een eigen kerk aan de Dijkstraat. De Hervormde Evangelisatie vereniging Bethel. Vanaf 1910 tot 1976 vormde men de rechtzinnige hervormde gemeente Bethel. In 1976 is deze gemeente weer herenigd met de Martinikerkgemeente.

Andere plannen van de koning mislukken niet. Er bloeit een modern kerkelijk leven op. Het bestaande orgel wordt vervangen/uitgebreid door het Van Dam orgel in 1842. Het kerkbezoek neemt enorm toe. De bevolking breidt zich intussen heel sterk uit. In 1870 wordt de Martinikerk omgebouwd tot één kerkruimte. Doopkerk, Middenkerk en Sacramentskerk worden tot één grote kerkzaal. Met in alle hoeken en gaten stoelen en banken. De preekstoel en de dooptuin blijven waar zij altijd al waren. Rond een pilaar aan de noordzijde. In het midden van de kerk een geweldig breed pad, waarin ook de tafels voor het avondmaal gezet konden worden. De veelheid van stoelen en banken had een dubbel doel. Zoveel mogelijk mensen bergen, maar ook plaatsen verhuur. Mensen huurden of kochten een eigen plaats in de kerk. Per jaar werden de plaatsen verhuurd. Iedereen had zo zijn of haar eigen plaats in de kerk.(Dit systeem van plaatsenverhuur is lange tijd de enige vorm van kerkelijke bijdrage geweest. Later kwam hiernaast het systeem van kerkbelasting (door de gewone belasting te innen), daarna het systeem van vaste vrijwillige Bijdragen en nu het systeem van de jaarlijkse kerkbalans.

De publieke functie die het gebouw had vóór 1800, is voorbij. Het gebouw is slechts geopend als er een dienst in is. De Martinikerk is een preekkerk geworden.

De organisatorische veranderingen door Koning Willem 1 ingevoerd zijn in de loop van de 19e en 20e eeuw allemaal ongedaan gemaakt.

In 1840 was de koning niet meer het hoofd van de kerk.

In 1859 komen predikanten in dienst van de a.landelijke kerk, b. de plaatselijke gemeente.(zijn dus geen rijksambtenaren meer). Het “(hervormde) ministerie inzake de eredienst” wordt opgeheven. Staatkundige inmenging in kerkelijke zaken worden tot een minimum teruggebracht.

In 1952 met de invoering van de hervormde kerkenorde verdwijnt het laatste stuk van de organisatie van Willem I.

Na 1952 worden kerkvoogdijen delen van de kerkenraden. De kerkvoogden zijn sindsdien ouderlingenkerkvoogd. In wezen is het eigendom van de kerkgebouwen aan de kerkenraden gekomen.

In 1940-1943 vindt een grote restauratie plaats. De kerkruimte wordt ingericht naar de liturgische eisen van die tijd. De sacramentskerk wordt gedeeltelijk in ere hersteld.

De preekstoel verlaat haar oude plek. De kerk wordt in de lengterichting ingericht.

Het koor wordt weer net als vroeger een plaats om avondmaal te vieren.

Als nieuw element wordt ingebracht een liturgische tafel (altaar).

De doopsymboliek wordt los gedacht van de preekstoel. Doopvont staat vóóraan naast de tafel.

De tijd na 1940 is ook de tijd van de grote liturgische veranderingen in de kerk.

Was in 1938 al een nieuwe liedbundel ingevoerd, na die tijd volgen er veel nog nieuwere. Er komt een complete nieuwe psalmberijming. Er wordt meer en meter gezongen. Werden de psalmen vóór 1950 langzaam en gedragen gezongen, niet ritmisch, na die tijd worden ze in het oorspronkelijke ritme en tempo gezongen. In 1973 komt een compleet en zeer uitgebreid nieuw liedboek.

De kerkdiensten veranderen van karakter. Er wordt meer gezongen. Liturgie krijgt meer aandacht. Lange moeilijke leerredenen worden niet meer gehouden. Er wordt meer gewoon Nederlands gesproken. En regelmatig ook weer fries.

Het avondmaal wordt weer vaker gevierd. Niet alleen op het koor, maar ook in lopende vieringen in het schip van de kerk.

In 1996 vind een grote restauratie van het orgel plaats. In 1998 wordt een begin gemaakt met een zeer grote restauratie van de kerk. Vrijwel het gehele dak is vernieuwd. Het houtwerk is van de bonte knaagkever bevrijdt. Nieuwe leien op het dak en het houtwerk dat door de knaagkever was beschadigd of gewoonweg verrot was is vernieuwd. Het interieur is geschilderd. In volgende fasen van restauratie zullen ramen worden vernieuwd en meubilair hersteld.

In 1976 vond de hereniging plaats van de vrijzinnig hervormde Martinikerk gemeente met de rechtzinnig hervormde Bethel gemeente plaats.

In 2004 vindt plaats de landelijke hereniging van de Ned. Her. Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland, samen met de Evangelisch Lutherse Kerk.

In 2005 kwam tot stand de federatie van de Hervormde Martinikerkgemeente en de Gereformeerde Zilverstraat gemeente tot stand.

Januari 2010 is in een feestelijke dienst in de Martinikerk de notariële acte ondertekend ter gelegenheid van het tot stand komen van de Protestantse Gemeente Franeker.